STAD VAN DE EEUWIGE LENTE
ÉÉN ZIN. NEGEN WOORDEN.
TWEE LEVENS DIE VOORGOED VERANDEREN.
De vroeg volwassen, 16-jarige Scarlett Grimshaw verhuist in 1979 tegen haar zin in van Engeland naar Recoleta, de chicste wijk van Buenos Aires. Eenzaam, ongelukkig met haar nieuwe bestaan, terugverlangend naar haar oude leven, vult ze de dagen met lezen, fotograferen en dagdromen.
Hoewel Scarlett nauwelijks oog heeft voor het andere geslacht gooit de toevallige ontmoeting met de twee jaar oudere Arturo, die uit het slechtste deel van de stad komt, haar leven compleet overhoop. In korte tijd ontstaat een diepe liefde tussen de twee. Een liefde die ze vanwege zijn verleden voor de buitenwereld geheim moeten houden.
Toch smeden ze plannen voor een toekomst samen, ver weg van Argentinië. Onverwachte gebeurtenissen dwarsbomen niet alleen die plannen, maar zorgen er ook voor dat Scarlett en Arturo moeten vechten voor hun toekomst. En zelfs voor hun leven…
Onderaan deze pagina kun je zowel de paperback als het ebook bestellen. Je kunt o.a. betalen met iDeal, creditcard, Paypal of bankoverschrijving.
De paperback heeft een levertijd van 2 à 3 werkdagen. Het ebook kan na betaling direct worden gedownload. Bestellingen worden door boekenbestellen.nl afgehandeld.
Je kunt de paperback ook bestellen bij online boekhandels zoals paagman.nl, libris.nl, bruna.nl en Donner.nl. Er gelden dan wel langere levertijden.
Titel: Stad van de eeuwige lente
Auteur: Jerrad Hoff
Taal: Nederlands
Pagina’s: 469
Uitvoering: Paperback
Afmetingen: 145 x 210 mm
Verschijningsdatum: juli 2024
ISBN: 9789465110523
Nur: 301, 343
QUOTES
LEES EEN HOOFDSTUK
LEES MINDER
LEES MEER
-
DAT IS SIMPELWEG ONMOGELIJK
De foto’s zijn beter geworden dan verwacht. Toch zullen ze binnenkort in de afvalemmer belanden. Ik heb ze alleen afgedrukt om de foto’s die niet bij het afval terecht zullen komen te kunnen verbergen. Ik heb geen zin in vragen en vooral niet in commentaar. En ze weten altijd wel iets te bedenken. Zelfs als ik wel doe wat ze willen, wat meestal stom toeval is…
-
DAT IS SIMPELWEG ONMOGELIJK
De foto’s zijn beter geworden dan verwacht. Toch zullen ze binnenkort in de afvalemmer belanden. Ik heb ze alleen afgedrukt om de foto’s die niet bij het afval terecht zullen komen te kunnen verbergen. Ik heb geen zin in vragen en vooral niet in commentaar. En ze weten altijd wel iets te bedenken. Zelfs als ik wel doe wat ze willen, wat meestal stom toeval is.
Sinds we hier wonen, krijg ik te horen dat ik vrienden moet maken. Alsof je zoiets geforceerd kunt doen. Zo van: hoi, ik ben Scarlett. Mijn moeder wil dat ik vrienden maak, dus vanaf nu zijn wij vrienden. En mocht me dat op een dag wel lukken, wat momenteel niet heel aannemelijk is, dan zullen ze gegarandeerd commentaar hebben op de persoon of personen met wie ik vrienden ben geworden.
Niet dat ik Arturo een vriend kan noemen, maar als dat wel het geval zou zijn, dan weet ik nu al welke vragen me te wachten staan: waarom heeft hij alleen een bermuda aan? Is die broek nou zo versleten? Zijn er geen kappers waar hij woont? Waar woont hij eigenlijk? Op welke school zit hij? Hij zit niet op school? Wat wil hij dan met zijn leven doen als hij niets leert? Zijn jullie wel even oud? En wat doet zijn vader voor de kost? Heeft hij wel een vader?
De laatste vragen van het verhoor hoef ik niet te beantwoorden, weet ik uit ervaring. Die dienen zuiver om hun oordeel duidelijk te maken zonder dat ze de woorden in de mond hoeven te nemen: waarom ik niet net als dochters van bekenden en buren vriendinnen word met een meisje op school of uit de straat? Waarom doe ik weer zo voorspelbaar tegendraads en ga om met een jongen? En nog wel een lokaal, langharig schoffie zonder toekomst?
Ik blijf nog even naar de foto staren, voel weer de aandrang om de haren voor zijn ogen weg te strijken, en besluit van hetzelfde negatief een meer ingezoomde afdruk te maken, zodat alleen zijn gezicht en bovenlijf te zien zijn. Ik doe de rode lamp aan en het licht aan het plafond uit. Nadat ik het negatief in de houder van de Durst-vergroter heb gedaan, zet ik de kop hoger. Als de uitsnede en scherpte naar mijn zin zijn, haal ik een vel van het fotopapier uit de lichtdichte zak en plaats die op het vergrotingsbord. Dan gaat de deur van de geïmproviseerde doka open.
‘Hier ben je,’ zegt mijn moeder.
‘Zoals ik een uur geleden zeker driemaal tegen je heb gezegd. En aankloppen was fijn geweest,’ zucht ik en laat het verpeste fotopapier in de prullenbak naast me vallen. Door de streep daglicht waarin ze staat, zie ik dat mijn reactie haar niet zint, maar ook dat ze nu geen tijd heeft om met me te bekvechten. Hopelijk blijft ze in de deuropening staan. Een stap of twee, drie naar voren en ik heb de andere negatieven voor niks afgedrukt. Voor de zekerheid bereid ik me alvast voor hoe ik zal uitleggen wie de jongen op de foto’s is en waar ik hem van ken.
‘Robert en ik gaan.’
‘Waarheen?’
‘Eten bij de Flores. Had ik dat niet verteld?’
‘Nee.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Ja.’
Ze haalt haar schouders achteloos op. ‘Maria heeft eten voor je gemaakt. Je hoeft dat straks alleen maar op te warmen.’
‘Oké.’
‘Tot vanavond. Niet te laat naar bed gaan.’
Voordat ik iets kan terugzeggen, als ik dat zou willen, is ze weg. Ik loop naar de deur en doe die dicht. Terug bij de vergroter heb ik even nodig om mijn volledige aandacht weer op het vergroten te kunnen richten. Zo’n tien minuten later hangen er twee perfecte afdrukken aan de waslijn te drogen.
Ik steek een sigaret op en paf die weg zonder mijn blik een enkele keer van de twee foto’s te halen. Mijzelf opnieuw afvragen wat er met me aan de hand is heeft geen enkel nut. Zelfs niet als ik dat hardop doe. De vorige tien keer wist ik het antwoord ook niet. Dat er iets speelt wat ik nog nooit eerder heb meegemaakt, staat als een paal boven water. Alleen wat is een even groot raadsel als de Bermudadriehoek voor de mensheid. En dat vind ik op een of andere manier beangstigend. Heel erg beangstigend eigenlijk.
Net terug in mijn slaapkamer besluit ik om eerst drinken te halen. Een verdieping hoger roep ik tevergeefs Maria, het dienstmeisje dat iedere dag een aantal uren het huishouden doet en voor haar vertrek kookt, omdat mijn moeder het te druk heeft met bladeren door mode- en roddeltijdschriften, oeverloos keuvelen met bekakte buurvrouwen en samen met hen of alleen glazen wijn achteroverslaan. Op de klok in de keuken zie ik dat Maria allang naar huis is.
Ik staar besluiteloos in de koelkast totdat mijn blik op een geopende fles witte wijn valt. Vervolgens is het besluit snel genomen. Ik neem een glas mee naar de slaapkamer. Met sigaretten, wijn en zijn foto’s, ga ik in de opening van het balkonnetje zitten. Nadat ik een wolk rook boven de straat heb uitgeblazen, leg ik de foto’s naast elkaar neer. Van minder geslaagd naar heel geslaagd. En dat is lastig, aangezien ze eigenlijk allemaal geslaagd zijn. Niet wat betreft compositie, scherpte en belichting. Enkele hadden technisch zeker beter gekund. Maar er is geen foto waar hij niet leuk op staat. Of denk ik nu niet objectief?
Ik pak The Executioner’s Song van Norman Mailer van mijn bed en begin te lezen. Halverwege het tweede hoofdstuk, als ik voor de derde keer aan dezelfde alinea begin, stop ik abrupt met lezen en leg het boek naast me neer. Het gebeurt me niet vaak dat lezen niet lukt. De laatste keer was na het overlijden van mijn vader. Zeker een maand lang lukte het me niet om te lezen. Sinds ik afgelopen zaterdag thuiskwam van Parque de los Niños is er geen dag geweest waarop ik mijn aandacht bij een boek heb kunnen houden.
Hoe anders is dat met de foto’s. Terwijl de eerste afdrukken nog hingen te drogen, kon ik al eindeloos lang naar ze staren. En dat is sindsdien allesbehalve minder geworden. Het is alsof ik dan lijfelijk terug ben in het park en hij voor me in het gras knielt, mijn wangen zoent, ik mijn armen om zijn schouders sla, en we hand in hand naar het muurtje bij de rivier lopen. Ik zie hem zelfs bij de bushalte staan nadat ik ben ingestapt. Hij zwaaide eenmaal, maar bleef staan kijken totdat de bus uit het zicht was.
Ik schrik languit op de vloer wakker. Het eerste dat ik zie, is dat de schemering is ingevallen. Ik ga rechtop zitten, steek een sigaret op en schuif tegen de deurpost aan. De buitentemperatuur is zalig.
Het is stil op straat, zie ik langs de ijzeren balustrade. Zo nu en dan komt een auto voorbij. Ik zie geen voetgangers. Mijn blik gaat terug de kamer in, naar de foto’s op de vloer. Mijn mond vormt een glimlach. Ik vraag me af wat hij nu aan het doen is. Ook niet voor het eerst vraag ik me af of hij weleens aan afgelopen zaterdag heeft teruggedacht, en of hij onze ronduit ongewone kennismaking, de woorden die we tegen elkaar hebben gezegd en de glimlachjes die we hebben uitgewisseld, heeft herbeleefd. Als dat zo is, dan zal dat niet zo vaak zijn als ik dat heb gedaan. Dat is simpelweg onmogelijk.
ALLE BOEKEN VAN JERRAD















