LAGE WINTERZON
HET ULTIEME KWAAD. DE ULTIEME BEPROEVING.
Lage winterzon is het derde deel van de thrillerserie over Madeline Dawson en het vervolg op Dag van de zon.
Nauwelijks hersteld van de gevolgen van de vorige missie moet Madeline Dawson door onvoorziene gebeurtenissen noodgedwongen in de huid kruipen van het ultieme kwaad, een vrouw die op alle continenten zowel gevreesd als bewonderd wordt door de meest gewelddadige en invloedrijke misdaadorganisaties en inlichtingendiensten.
In Brighton Beach, het meest zuidelijke deel van Brooklyn, New York City, tussen nietsontziende onderwereldfiguren en corrupte politieagenten, zal Madeline de duisternis in zichzelf moeten bovenhalen om met bloed de weg te plaveien naar het ware doelwit: een onbekend persoon die al decennialang op meedogenloze wijze leiding geeft aan een van ’s wereld machtigste misdaadsyndicaten.
Een missie die Madeline opnieuw zwaar op de proef zal stellen.
Maar ook een missie die haar leven voorgoed zal veranderen…
Onderaan deze pagina kun je zowel de paperback als het ebook bestellen. Je kunt o.a. betalen met iDeal, creditcard, Paypal of bankoverschrijving.
De paperback heeft een levertijd van 2 à 3 werkdagen. Het ebook kan na betaling direct worden gedownload. Bestellingen worden door boekenbestellen.nl afgehandeld.
Je kunt de paperback ook bestellen bij online boekhandels zoals paagman.nl, libris.nl, bruna.nl en Donner.nl. Er gelden dan wel langere levertijden.
Titel: Lage winterzon
Auteur: Jerrad Hoff
Taal: Nederlands
Pagina’s: 373
Uitvoering: Paperback
Afmetingen: 145 x 210 mm
Verschijningsdatum: juni 2020, nieuwe druk juni 2021
ISBN: 978 90 828 7508 9
Nur: 305
QUOTES
LEES EEN HOOFDSTUK
LEES MINDER
LEES MEER
-
Ze doet er lang over om dood te gaan. Dat is niet de schuld van het wicht zelf. Wel van de sukkels die op haar staan in te trappen alsof ze nog geen deuk in een zak bonen kunnen schoppen. Het begint gênant te worden. En erg saai. Dat laat ik dan ook merken. De zucht doet de ondervrager zowat uit zijn vel springen. Mijn glimlach, als onze blikken elkaar treffen, is de beroemde druppel. Hij snauwt in die ergerlijke…
-
Ze doet er lang over om dood te gaan. Dat is niet de schuld van het wicht zelf. Wel van de sukkels die op haar staan in te trappen alsof ze nog geen deuk in een zak bonen kunnen schoppen. Het begint gênant te worden. En erg saai. Dat laat ik dan ook merken. De zucht doet de ondervrager zowat uit zijn vel springen. Mijn glimlach, als onze blikken elkaar treffen, is de beroemde druppel. Hij snauwt in die ergerlijke taal van ze naar de twee sukkels verderop in de ruimte die meteen metalen staven pakken.
Hooguit drie, vier minuten later is het wicht dood. Niet zo vreemd als je schedel opensplijt als een rotte meloen. Beter voor haar, hoewel haar dood als afschrikmiddel — om te demonstreren wat mij eventueel te wachten staat — volkomen heeft gefaald. En de ondervrager realiseert zich dat maar al te goed, verklapt zijn smoelwerk waar kortstondig de domheid door wanhoop wordt verdreven.
‘Goed, waar waren we gebleven?’ vraag ik overdreven zuchtend. ‘Ik weet het al: jij stelde me een vraag en ik probeerde uit te leggen dat het geen onwil is dat ik het antwoord niet weet. Soms weet men het antwoord op een vraag eenvoudigweg niet. Laten we de rollen even omdraaien. Die restaurants van jullie. De wereld is er werkelijk mee bezaaid. Het maakt niet uit in welk land, stad of dorp je bent. Zelfs in een gehucht met zes straten, waar men minstens een half uur in de auto moet zitten voor zoiets eenvoudigs als melk, een brood of een pakje peuken, omdat de laatste drie buurtsupers binnen een half jaar failliet zijn gegaan, zit wel — je kunt natuurlijk al raden wat ik ga zeggen — daar zit wél een Chinees restaurant om de hoek. Nu ben ik echt heel erg benieuwd of jij antwoord kunt geven op de vraag waarom Chinezen in het buitenland altijd een restaurant beginnen en geen hondenkennel, zonnebankcentrum of een kledingwinkel voor de zeer kleine medemens. En met zeer kleine mensen bedoel ik mensen die net iets te groot zijn om een dwerg te worden genoemd. Mensen zoals jij.’
Natuurlijk zie ik de klap aankomen, maar dat is nog geen reden om deze af te weren of te ontwijken. Als ik dat wel doe, houden ze me vast en dan wordt het alleen maar lastiger om een kleun op te vangen. Ik kiep met stoel en al achterover op de koude betonnen vloer. Niet voor het eerst. Hoewel ik onmiddellijk vers bloed proef, begin ik te lachen. De legerkist die met veel hartstocht in mijn buik wordt geplant, heeft als enig resultaat dat mijn gelach overgaat in geschater. En dat vinden ze zó vreselijk irritant.
Twee paar handen pakken me op en kwakken me voor de zoveelste keer hardhandig op de plastic stoel. Mijn ondervrager, recht tegenover mij en zogenaamd op zijn gemak leunend tegen een muur, staart me met die aangeleerde ik-ben-de-rust-zelf-en-heb-alles-onder-controle blik aan. De glinstering in zijn ogen verklapt me dat het tegendeel waar is.
‘Mag ik wat vragen voordat we verdergaan?’ informeer ik en spuug vervolgens een grote, roodkleurige rochel op de vloer. ‘Zijn jullie familie van elkaar? Broers, neven? Of misschien nichtjes? Jullie lijken namelijk zo eng veel op elkaar. Ik bedoel: de spleetjes van ogen en dezelfde vlotte kapsels. En dan de huidskleur, alsof jullie dagenlang in koeienpis hebben liggen weken.’
Nu is het de andere kerel die me van de stoel afslaat. Ditmaal lig ik met mijn naakte lichaam languit voorover op het vochtige beton. Ook niet voor de eerste keer. Ik krijg een snoeiharde trap in een zij en krimp kermend ineen Ik heb geluk dat ik tijdens het gevecht met de Chinese militairen in Noord-Korea, vlak voordat ik de helikopter in werd gesleurd, toch niet mijn neus, kaak en ribben heb gebroken. Anders was ik nu zeker niet begonnen met schateren.
‘Oké, oké. Het cliché is dus waar: alle Chinezen lijken op elkaar.’
De opmerking is goed voor een rottrap in mijn rug. Ik kreun hard, maar lach nog harder. Terug gekwakt op de stoel treft mijn blik die van de ondervrager. Zijn ogen vlammen. Sukkel.
‘Waar komen waterstofbom vandaan?’
‘Wat ik me nou afvraag: zien jullie alles alsof je door een spleet kijkt, net zoals ik — iemand met normale ogen — dat zie als ik mijn ogen toeknijp?’
Een serie oorvijgen volgt. Allerminst een verrassing. Wat wel een verrassing is, is dat de twee naast me samenwerken. Terwijl één mijn haar bovenop het hoofd stevig vasthoudt, haalt de ander met de vlakke hand vol uit. Keer op keer. Mijn lippen scheuren verder open, mijn neus begint weer te bloeden en mijn wangen gloeien alsof ze in lichterlaaie staan. Ik zie sterretjes en het duizelt me. Toch lukt het om te lachen. Met name door de grimassen van de oerlelijke hufter die me met opvallend veel enthousiasme slaat.
‘Waar komen waterstofbom vandaan?’ vraagt de ondervrager in slecht Engels en met een absurd accent, nadat hij een sigaret heeft opgestoken en een wolk rook in mijn richting heeft geblazen. Alsof ik daardoor wel zou vertellen wat ze willen weten.
‘Zoals ik al eerder zei: ik versta geen Chinees.’
Ik val zo hard op mijn rug dat ik een volledige koprol achterover maak. De vlammende pijn in mijn ribben, alsof ze allemaal los in mijn bovenlichaam rondzwerven, doet me luid kreunen. De hulpjes van de ondervrager beginnen me te schoppen. Meteen maak ik me zo klein mogelijk en bescherm mijn hoofd met mijn armen. Toch heb ik het idee dat er geen plek is waar ze me niet raken. Een trap vol in mijn gezicht doet zowat het licht bij me uitgaan. Als ik op de achterkant van mijn dijbeen — vol op de schotwond — wordt getrapt en aansluitend opnieuw in het gezicht, gebeurt dat alsnog.
IJzig koud water dat regelrecht van Antarctica moet zijn ingevlogen, brengt me met een gil terug bij mijn positieven en op de vloer van de ondervragingsruimte. Er wordt nog een emmer over me heen gegooid. Ik begin direct met mijn hele lichaam te rillen.
Nadat er een derde emmer over me is leeg gekiept, word ik weer ruw op de stoel gesmeten. Samen met scheuten water druipen er dikke en lange slierten slijm en bloed uit mijn mond en neus. Ik heb de grootste moeite met ademhalen, alsof mijn longen voor de helft met water zijn gevuld. En ik heb het zo verrot koud dat ik niet kan stoppen met rillen en klappertanden.
‘Waar komen waterstofbom vandaan?’
‘Ik ben hier nu een week of zo en je vraagt me zo’n honderd keer op een dag ‘waar komen waterstofbom vandaan’, als het geen tweehonderd keer is. A: waarom denk je dat ik nu ineens wel het antwoord weet? B: begrijp je überhaupt iets van wat ik zeg? C: kom ik serieus bij jou over als iemand die zich bezighoudt met bommen en raketten? En D: komt die ranzige bami meur uit jouw mond of ruik ik de billen van je nichtjes?’
Na de eerste ram op mijn kaak houd ik beide handen afwerend omhoog. Een volgende optater blijft uit. Niet voor lang, gok ik. Weet ik.
‘In het geval dat ik dadelijk voor langere tijd het bewustzijn verlies: kan jij ervoor zorgen dat het kamermeisje morgenochtend, als ze het beddengoed in mijn suite verschoont en nieuwe handdoeken neerlegt, andere doucheschuim in de badkamer neerzet? Ik ben namelijk allergisch voor eucalyptus.’
ALLE BOEKEN VAN JERRAD















