ROSE
BEWONDERD DOOR DE FRANSEN. GEVREESD DOOR DE NAZI’S.
GELIEFD DOOR VELEN. BEMIND DOOR ÉÉN.
Het is de zomer van 1941, in het door de nazi’s bezette Frankrijk, als de vijftienjarige Rose Valmont van de ene op de andere dag volwassen wordt. Dood, wreedheden, verdriet en haat veranderen haar gaandeweg in een verzetsstrijdster die door landgenoten wordt bewonderd en door de bezetter wordt gevreesd.
Wanneer onverwacht een jongen haar leven binnenstapt die in Rose behalve een bikkelharde verzetsstrijdster ook het meisje ziet dat ze zou zijn geweest zonder de pijn van gemis en de nietsontziende daden die ze heeft begaan, wordt ze verrast door emoties die ze lang niet heeft ervaren. Bang voor nog meer verdriet probeert Rose haar gevoelens voor hem te negeren. Liefde laat zich echter niet sturen.
Maar dan is er nog de realiteit van de oorlog die ze heeft samengebracht…
Geïnspireerd door ware gebeurtenissen.
Onderaan deze pagina kun je zowel de paperback als het ebook bestellen. Je kunt o.a. betalen met iDeal, creditcard, Paypal of bankoverschrijving.
De paperback heeft een levertijd van 2 à 3 werkdagen. Het ebook kan na betaling direct worden gedownload. Bestellingen worden door boekenbestellen.nl afgehandeld.
Je kunt de paperback ook bestellen bij online boekhandels zoals paagman.nl, libris.nl, bruna.nl en Donner.nl. Er gelden dan wel langere levertijden.
Titel: Rose
Auteur: Jerrad Hoff
Taal: Nederlands
Pagina’s: 429
Uitvoering: Paperback
Afmetingen: 145 x 210 mm
Verschijningsdatum: december 2024
ISBN: 9789465113234
Nur: 301, 343
QUOTES
LEES EEN HOOFDSTUK
LEES MINDER
LEES MEER
-
FONTENAY-SUR-EURE, 1941
Moet ik misschien een andere dag kiezen om dood te gaan? Niet voor het eerst sinds ik van huis ben vertrokken, schiet de vraag door mijn hoofd. Net als eerder voel ik de noodzaak om antwoord te geven. Misschien om mezelf moed in te spreken. Echter niet voor wat ik ga doen. Ook niet omdat ik daarbij dood kan gaan. Het enige waar ik bang voor ben, is om tot stoppen te worden gebracht voordat ik heb kunnen…
-
FONTENAY-SUR-EURE, 1941
Moet ik misschien een andere dag kiezen om dood te gaan? Niet voor het eerst sinds ik van huis ben vertrokken, schiet de vraag door mijn hoofd. Net als eerder voel ik de noodzaak om antwoord te geven. Misschien om mezelf moed in te spreken. Echter niet voor wat ik ga doen. Ook niet omdat ik daarbij dood kan gaan. Het enige waar ik bang voor ben, is om tot stoppen te worden gebracht voordat ik heb kunnen doen wat ik wil doen. Wat daarna met mij gebeurt, kan me niets schelen. Sterker nog: ik kan niets verzinnen dat me minder interesseert dan mijn eigen leven. Het enige dat telt is dat mijn plan slaagt. Niets meer, niets minder.
Terwijl de vlokken nog massaler uit de hemel beginnen te dwarrelen en om me heen zachtjes op de bevroren grond landen, sluip ik voorzichtig verder. Bij elke stap die ik zet, hoe voorzichtig ook, knarst de eerste sneeuw van de winter onder mijn schoenen alsof ik even zwaar weeg als een stier. Bang dat ik daardoor word ontdekt en mijn plan al mislukt voordat ik zelfs maar in de woning ben, blijf ik om de paar meter even stilstaan en luister ingespannen of ik niets hoor waaruit blijkt dat ik ben ontdekt.
Zonder geluid te maken, klauter ik over een omgevallen boomstam. Alsof ik over een bananenschil uitglij ga ik nog geen twee meter verderop onderuit en val keihard op mijn rug. Gortdroge takken onder me breken als lucifershoutjes. Door razendsnel een hand op mijn mond te drukken, weet ik ternauwernood de kreun die aan mijn lippen ontsnapt te smoren. Voor een groot deel dan. Tegelijkertijd schiet mijn blik langs bomen naar de eerste verdieping van het huisje. Wanneer bij het enige raam waar licht brandt zeker een minuut lang geen beweging is te zien en nergens anders in de woning lampen opeens aanspringen, krabbel ik voorzichtig overeind.
Ik kijk om me heen, eerst achter me waar aan de andere kant van het bos mijn fiets staat, dan oostwaarts, waar op minder dan een kilometer Fontenay-sur-Eure ligt, en ten slotte in zuidoostelijke richting naar Thivars. Daarna vervolg ik mijn weg naar de rand van de tuin. Wanneer ik daar aankom, gaat er een golf van opluchting door me heen; de Kübelwagen staat er nog.
Het is hooguit tien meter naar de keukendeur, schuin onder het raam waar licht brandt. Meer dan een toevallige blik omlaag is er echter niet nodig om me te zien zodra ik tussen de bomen vandaan ben gekomen. Mijn hart bonst in mijn keel die droog is als akkerland na een te lange, snikhete zomer. Ik haal enkele keren diep adem en loop dan zo snel en geruisloos mogelijk naar de deur.
Twintig lange tellen blijf ik tegen het muurtje naast de deur staan alsof ik ertegenaan ben genageld en voel dan voorzichtig aan de greep. Zoals voorgaande keren is de deur niet op slot. Ik open hem voorzichtig, haal de revolver uit mijn jaszak en glip de keuken in. Het is er nog donkerder dan buiten en het duurt even totdat de vormen van de eettafel en stoelen in de duisternis tevoorschijn zijn gekomen. Dan begin ik naar de gang te schuifelen. Hoewel ik dat stapje voor stapje doe, kraakt de houtenvloer zo nu en dan onder me. Iedere keer lijkt mijn hart van schrik stil te staan. Het duurt een eeuwigheid voordat ik eindelijk bij de trap ben. Mijn hart gaat nu als een razende tekeer.
Ik doe lang over de eerste vijf treden. Hoe hoger ik kom, hoe meer de planken lijken te kraken en te piepen. Ongeveer halverwege de trap hoor ik voor het eerst zachte muziek en gelach. Enkele treden hoger zie ik een streep flikkerend licht onder een deur vandaan komen. Over de laatste treden doe ik nog langer dan de eersten. Boven aangekomen klinkt mijn ademhaling alsof verderop in de donkerte van de gang iemand staat die buitenadem is. Mijn vingers trillen en mijn knieën knikken. Achter de deur klinkt gelach. J’ai deux amours van Joséphine Baker begint net. Iemand huppelt of danst door de slaapkamer, verklapt de krakende vloer, en springt dan op bed. Er wordt gelachen. Het aanstellerige gehinnik van de boche-hoer ergert me nog meer dan gewoonlijk.
Ik span de haan van de revolver en pak de deurkruk vast. Nadat ik in gedachten hun namen heb gezegd, ze heb verteld dat ik van ze hou en dat we nu heel snel weer samen zullen zijn, open ik de deur millimeter voor millimeter totdat ik het bed kan zien.
De boche-hoer berijdt hem alsof ze op een op hol geslagen paard over een hobbelig weiland galoppeert. Haar jankerig gekreun, om de paar tellen onderbroken door een kort kreetje die van muur naar muur galmt, irriteert me nog meer dan haar hysterische manier van lachen. Ik open de deur verder en stap heel langzaam de kamer binnen. Nadat ik de revolver in beide handen heb genomen, breng ik hem omhoog tot schouderhoogte. Ik kan niet geloven dat niemand mij opmerkt. Mijn vinger spant zich verder om de trekker.
De knal is oorverdovend. Ik schrik er zelf van. Door de terugslag wordt het oude wapen zowat uit mijn hand geslagen. Terwijl ik op haar achterhoofd mikte, raakt de kogel de boche-hoer in het rechterschouderblad. Misschien had ik toch moeten oefenen. Luid kermend smakt ze met haar gezicht en bovenlichaam over hem heen tegen de muur. Slierten rook en een sterke kruitlucht vullen de slaapkamer. Mijn oren piepen van de knal.
Sturmbannführer Max Saalbach kijkt me onthutst aan en probeert vervolgens paniekerig onder haar vandaan te komen. Ik schiet nog een kogel in de boche-hoer en raak haar nu wel in het hoofd. Alsof iemand een emmer met rode verf tegen de muur kwakt, spettert bloed en onherkenbare smurrie tegen het vale bloemetjesbehang. Schrik en walging maken algauw plaats voor voldoening, omdat het eerste deel van het plan is gelukt. Het duurt even totdat de sturmbannführer haar levenloze lichaam van zich af heeft gekregen en ze met een doffe klap op de vloer naast het bed dondert. Zijn gezicht zit ook onder het bloed en dingen die even ervoor nog in haar hoofd zaten.
‘Was… wer… wer bist du? Mach nichts Dummes! Es ist noch nichts Schlimmes passiert. Niemand wird diese dumme Hure vermissen. Ich bin Sturmbannführer Saalbach. Ein wichtiger Mann mit viel Macht. Niemand muss wissen, was du getan hast. Lass uns darüber reden…’
Ik doe alsof ik hem niet versta. Hij heeft gelijk wat betreft de Franse hoer die voor iedere kerel, tenminste, zolang die Duits spreekt, haar benen spreidde. Daarom ligt ze nu in een bijna komische houding op de vloer tussen het bed en het raam, met de ogen wijd opengesperd en twee kogelgaten in zich. Even is het stil, dan herhaalt hij de woorden een stuk kalmer en in opvallend goed Frans.
Zonder dat ik de revolver laat zakken, blijf ik hem aanstaren. Mijn hartslag is weer zo goed als normaal. Mijn vingers trillen niet meer en het knikken van mijn knieën is ook gestopt. Ik ga met mijn blik vlug door de kamer, maar zie de riem met zijn wapen nergens. Dat is een situatie waar ik geen rekening mee had gehouden.
‘Mijn naam is Rose Valmont. Ik woon in Thivars.’
‘Mooi dorp,’ zegt de vuile hond vriendelijk.
‘Ik woon in het noorden, een paar honderd meter buiten het dorp, aan het eind van een zandpad tussen bomen. In een klein huisje aan de oever van de rivier La Berthelot. In de tuin, tussen bougainvilles en de deur naar de keuken, staat een houten, zeeblauwe bank. Als de zon schijnt is het daar heerlijk zitten. Helemaal met een fles schnaps…’
Zijn ogen schieten wijd open. Hij ziet hetzelfde tafereel als ik. En de taferelen die eraan voorafgingen. Helaas gaan die ook kort door mijn hoofd, ondanks dat ik ze zelf niet heb gezien. Sturmbannführer Saalbach weet nu waarom ik hier ben.
‘Mach keine dummen Dinge, Rose,’ zegt hij met een angstige stem.
Een luide knal vult de kamer opnieuw. De kogel raakt hem in de buik en doet hem als een knipmes dubbelslaan. Hij kermt het uit en grijpt met beide handen naar de wond waar direct veel bloed uitkomt.
‘Scheisse! Scheisse! Scheisse!’ roept hij. ‘Bitte, Rose! Es ist noch nicht…’
Hoewel het geen opzet was, dringt de volgende kogel zijn hoofd via het linkeroog binnen. Zijn schedel barst aan de achterkant open als een meloen die met veel boosheid op de grond is gesmeten. Bloed en hersenen vermengen zich op de muur met die van de boche-hoer. Ik stap naar voren en schiet nog twee kogels in zijn hoofd. Terwijl ik naar de sturmbannführer en de boche-hoer staar zie ik beelden van andere levenloze lichamen. Diep zuchtend draai ik me om en snel de trap af.
Het sneeuwt nog steeds hevig. Ik snuif de koude lucht op alsof ik in ademnood verkeer. Het is amper te geloven dat mijn plan is geslaagd. En al helemaal niet dat ik het heb overleefd, zonder zelfs maar een schrammetje op te lopen. Als ik iets niet had verwacht, dan is het wel dat ik dit huis weer levend zou verlaten. Ik huil en zeg hun namen nu hardop en laat ze weten dat ze altijd bij me zullen zijn, in het diepst van mijn hart, waar ik ook ben en hoe oud ik ook ben.
Mijn blik gaat naar het bos waar ik aan de andere kant mijn fiets heb verstopt. Als ik die heb teruggevonden, dan is het ongeveer drie kilometer in zuidoostelijke richting fietsen naar Thivars, het dorp waar ik vijftien jaar geleden ben geboren en al even lang woon aan het eind van een zandpad tussen bomen, in een klein huisje aan de oever van La Berthelot. En dat doe ik sinds zes weken moederziel alleen.
ALLE BOEKEN VAN JERRAD















