NOVEMBER
ALS LIEFDE HET SLECHTSTE IN JE BOVENHAALT.
Poppy Hollingworth is geboren en getogen in Brixton, Londen, in een liefdeloos gezin met ouders die niets van haar moesten hebben. Op een dag komt Mason in haar leven. En met hem liefde. Een jaar later zijn ze getrouwd.
Met hun kinderen Phoebe en Riley verhuizen ze van de hectische metropool naar de landelijke omgeving van Maidstone, in het zuidoosten van Engeland. Het leven heeft alles waar Poppy in haar jeugd over droomde, maar nooit op heeft durven hopen. Totdat ze ontdekt dat liefde ook een keerzijde heeft en het slechtste in een mens kan bovenhalen. En soms zelfs tot de meest vreselijke daden kan leiden.
Daden die haaks staan op de persoon die Poppy is. Toch zou ze morgen zonder aarzeling weer doen wat ze heeft gedaan…
‘Wat een vraag. Natuurlijk heb ik geen spijt. Zal ik ook nooit krijgen. Waarom zou ik? Ik ben dit niet begonnen. Ik heb niet de eerste dominosteen omgegooid. En voordat je vraagt of ik me dan wel schuldig voel, wil ik je uitdagen om in mijn schoenen te gaan staan.’
Onderaan deze pagina kun je zowel de paperback als het ebook bestellen. Je kunt o.a. betalen met iDeal, creditcard, Paypal of bankoverschrijving.
De paperback heeft een levertijd van 2 à 3 werkdagen. Het ebook kan na betaling direct worden gedownload. Bestellingen worden door boekenbestellen.nl afgehandeld.
Je kunt de paperback ook bestellen bij online boekhandels zoals paagman.nl, libris.nl, bruna.nl en Donner.nl. Er gelden dan wel langere levertijden.
Titel: November
Auteur: Jerrad Hoff
Taal: Nederlands
Pagina’s: 309
Uitvoering: Paperback
Afmetingen: 148 x 210 mm
Verschijningsdatum: december 2023
ISBN: 9789464816211
Nur: 301, 343
QUOTES
LEES EEN HOOFDSTUK
LEES MINDER
LEES MEER
-
‘Vind je dat ik een borstvergroting moet doen?’ vraag ik zonder van mijn naakte lichaam in de passpiegel weg te kijken. ‘Ik bedoel: je houdt van grote borsten en die van mij lijken met het jaar kleiner te worden.’
‘Hoe kom je erbij dat ik van grote borsten hou?’ klinkt lacherig en op verbaasde toon vanuit de badkamer…
‘Omdat je altijd kijkt naar vrouwen met…
-
‘Vind je dat ik een borstvergroting moet doen?’ vraag ik zonder van mijn naakte lichaam in de passpiegel weg te kijken. ‘Ik bedoel: je houdt van grote borsten en die van mij lijken met het jaar kleiner te worden.’
‘Hoe kom je erbij dat ik van grote borsten hou?’ klinkt lacherig en op verbaasde toon vanuit de badkamer.
‘Omdat je altijd kijkt naar vrouwen met grote borsten.’
‘Wat?’
‘Omdat je altijd…’
‘Ik verstond je wel, Poppy. Hoe kom je daar in godsnaam bij?’
‘Je houdt dus meer van kleine borsten, wil je beweren?’
Mason zegt niets en lacht hard.
‘Krijg ik nog antwoord?’ lach ik met hem mee.
Ik schrik van de armen die van achteren plotseling om me heengaan. Hij drukt zijn naakte lichaam tegen dat van mij en kust mijn schouder zacht. ‘Ik hou van jouw borsten, Poppy. En nogmaals: hoe kom je erbij dat ik altijd kijk naar vrouwen met grote borsten?’
‘Ik wilde alleen horen of je de noodzaak voelde om jezelf te verdedigen,’ lach ik en duw mijn kont plagerig tegen hem aan. ‘Niet dus. Maar je houdt dus van mijn borsten?’
‘De mooiste en lekkerste van de wereld. Het is moeilijk om van ze af te blijven. Maar dat geldt voor alles aan jou.’
‘Woorden, woorden. Zoals je weet, ben ik meer van daden die woorden van loze praat tot waarheid maken.’
Mason snuift vermaakt, strijkt mijn haar opzij en kust mijn hals en nek, dan tilt hij me in zijn armen. Met enkele stappen zijn we bij het bed. Een tel later lig ik erop. En hij op mij. We zoenen alsof we dat vanmiddag nog niet eerder hebben gedaan.
‘Mijn ouders kunnen elk moment met de kinderen hier zijn,’ fluister ik met een onrustige ademhaling, terwijl onze lippen elkaar nog beroeren.
‘Alsof je dat niet ingecalculeerd had toen je het plannetje in werking zette.’
‘Welk plannetje?’ vraag ik met gespeelde verbazing en zoen hem.
‘Het plannetje dat met een borstvergroting begon. En waardoor we nu hier op bed liggen voor een vluggertje.’
Ik slaak een hoog geluid van verontwaardiging.
‘Hoelang hebben we nog?’ glimlacht Mason.
‘Elf minuten,’ zeg ik zonder op de wekker te hoeven kijken.
Hij schatert. Ik ook. Dan zoenen we verder. Ik spreid mijn benen en kreun zacht als hij ertussen gaat liggen. Hij kust mijn borsten en zuigt aan de tepels die hard zijn als graniet. Ons gehijg en gekreun vult de slaapkamer meer en meer. Algauw glanzen onze lichamen bijna net zoals eerder vanmiddag. Als voor het huis een auto over het grind rijdt, bevriezen onze bewegingen en verstommen we op hetzelfde ogenblik. Zes minuten eerder dan verwacht, zie ik ditmaal wel op de wekker.
‘Godsamme…’
Mason lacht hard en gaat meteen van me af. Terwijl hij snel een spijkerbroek en T-shirt uit de kast pakt, schiet ik in de jurk die ik al had klaargelegd. Ondergoed komt straks wel. Ik fatsoeneer mijn haar zo goed als dat in vijf tellen mogelijk is en haast me dan de slaapkamer uit. Mason volgt me op de voet de trap af. Nog voordat we beneden zijn, wordt er aangeklopt.
‘Lieverds!’ roep ik al voordat de deur helemaal open is.
‘Mama!’ roepen ze in koor terug.
Ik zak vlug op mijn knieën om ze tegelijk te kunnen omhelzen en met smakkende zoenen te kunnen overladen.
‘Ik heb je héél erg gemist, mama,’ verklaart Phoebe op serieuze toon, terwijl ze me omhelst alsof we elkaar weken hebben moeten missen.
‘Ik jou ook, lieverd. Een dag is ook héél lang.’
‘Wat heb je gedaan? Je zweet helemaal.’
‘We waren… waren aan het opruimen,’ antwoord ik met een ernstig gezicht en schiet dan kort in de lach.
‘Waarom lach je?’
‘Mama is gewoon blij dat jullie weer thuis zijn.’
‘Heb jij mama ook héél erg gemist, Riley?’ wil ik van mijn zoontje weten, terwijl Phoebe haar vader omhelst.
‘Héél erg,’ knikt Riley en pakt me dan weer innig vast. Wanneer hij Mason in de armen vliegt, ga ik rechtop staan en begroet mijn ouders. Terwijl we allemaal naar binnengaan, kijkt mijn moeder me weer eens met die overbekende blik van haar aan. Mijn vader loopt langs me het huis binnen alsof ik niet besta. Zoals hij eigenlijk al heel mijn leven doet.
‘Je wist toch dat we om vier uur hier zouden zijn?’ zegt mijn moeder op zachte maar scherpe toon, hoewel er niemand in de buurt is die ons kan horen.
‘Ja.’
‘Waarom gaan jullie dan vlak ervoor… opruimen. Je ziet er werkelijk niet uit. Het haar plakt potver in je gezicht. En dan die dingen die door je jurk priemen. Vulgairder kan het niet. Je kinderen zijn zes en bijna negen. Wat moeten ze wel niet denken?’
Ik kijk met haar mee omlaag en schiet in de lach. ‘Er zijn mensen die deze vulgaire dingen tepels noemen. En wat Phoebe en Riley moeten denken? Misschien dat we aan het opruimen waren, zoals ik zei. En zijn ze echt alweer zes en bijna negen? Mijn god, wat vliegt de tijd toch.’
We gaan naar de achtertuin. Omdat de juli zon zonder een zuchtje wind niet fijn voelt op de huid gaan we onder de zonwering zitten. Mijn vader wil net als gisterochtend weten hoe het met de zaak gaat. Mason geeft met andere woorden hetzelfde antwoord en gaat daarna binnen drinken inschenken. Phoebe en Riley trappen op het gras een bal over. Dat proberen ze in elk geval. Ik vraag mijn ouders hoe het met de kinderen is gegaan. Omdat mijn moeder altijd antwoord geeft voor hen reageert mijn vader zoals gewoonlijk niet. Alsof hij ze nooit eerder heeft gezien, blikt hij door de tuin naar de lagergelegen weilanden en bossen die ons huis op Hollingbourne Hill, hemelsbreed negen kilometer ten oosten van Maidstone en plusminus dertig kilometer ten westen van Canterbury, in het graafschap Kent, bijna volledig omsluiten. Met haar antwoord, niet langer dan één woord, laat mijn moeder weten nog steeds gepikeerd te zijn dat wij iets aan het doen waren wat zij en mijn vader al twintig jaar niet meer doen.
Even overweeg ik om een sarcastische of zelfs een rotopmerking te maken, maar het vrolijke gezicht van Mason, wanneer hij met een vol dienblad de tuin inkomt, doet me daarvan afzien. En anders zou het gejuich van de kinderen, terwijl ze op hem afstuiven alsof ze gisterochtend voor vertrek voor het laatst iets hebben gedronken, me de woorden wel doen inslikken. Bovendien maakt het ook geen sikkepit uit wat ik zeg of doe. Alles glijdt van ze af alsof ik lucht ben.
‘Hoe laat zal ik de barbecue aansteken?’ wil Mason opgewekt weten. Ongetwijfeld omdat hij ziet dat ik me zit op te vreten.
‘O ja, we blijven niet eten.’
Ik staar mijn moeder aan en moet me inspannen om niet alsnog uit mijn slof te schieten. ‘We hebben dit weken geleden afgesproken.’
‘We moeten nog een stuk rijden,’ is haar verweer.
‘Het is hooguit dertig minuten rijden naar jullie vakantiehuis.’
Ze knikt. En daarmee is de kous af. Tenminste, wat betreft dit onderwerp. Er zijn echter genoeg andere onderwerpen waar ze haar gelijk nog over moet krijgen.
‘We begrijpen werkelijk nog steeds niet wat jullie hier doen.’
‘Gaan we het weer over Londen hebben?’
‘Ja. Jij hebt makkelijk praten. Jij laat je man iedere werkdag een uur naar Londen en een uur terug hiernaartoe reizen, terwijl jullie daar een prachtige woning hebben.’
‘Hier gaan wonen was mijn idee,’ verdedigt Mason me, niet voor het eerst en ongetwijfeld ook niet voor het laatst. ‘En ik werk gemiddeld twee dagen in de week thuis. Bovendien reis ik graag met de trein.’
‘Maar wij niet,’ werpt mijn moeder tegen, zonder hem aan te kijken. ‘Je vader rijdt niet graag meer auto. Zeker niet op de snelweg. Dat weet je, Poppy. Als we de kinderen willen zien, moeten we dus een uur heen én een uur terug in de trein zitten.’
‘Ja, echt vreselijk,’ reageer ik, neem een slok van de thee, en zeg tegen de kinderen dat ik meedoe met balletje trappen. Terwijl ik dolle pret heb met Phoebe en Riley, en keer op keer bewijs dat iemand van tweeëndertig ook finaal naast een bal kan trappen, hoor ik achter me mijn moeder weer het bekende verhaal opdreunen hoe goed Olivers financiële advieskantoor het doet. En mijn broer doet het ook best goed, maar dat is niet de reden dat mijn moeder iedere kans aangrijpt om dat te zeggen. Ze laat mij met een kleine omweg weten dat ik niks in mijn leven heb bereikt, dus een complete mislukking ben, en iedere dag god op mijn blote knieën moet danken dat ik met een man ben getrouwd die een zeer succesvol architectenbureau in Londen heeft.
Of het komt doordat ik ze sinds mijn laatste woorden negeer, weet ik niet, maar een kwartier later rijden mijn ouders de oprijlaan af. De kinderen zwaaien alsof het een afscheid voor jaren is. Maar zo’n feest is het helaas niet. Ik kon me er niet toe zetten om ook te zwaaien. Ook omdat het huilen me nader staat dan het lachen. Als ik me omdraai en naar binnen wil lopen, houdt Mason me tegen. Hij neemt me in zijn armen en zoent mijn neus. De kinderen komen er gelijk bij. We tillen ze op, zodat we met zijn viertjes bij elkaar staan.
‘Je hebt ons, schat,’ fluistert Mason.
‘Ja, mama, je hebt ons,’ valt Phoebe hem bij. De meid begrijpt meer dan ze laat merken. Dat kan nog wat worden in haar tienerjaren.
Terwijl ik tegen de tranen vecht, zoen ik ze beurtelings. ‘Meer heb ik niet nodig om gelukkig te zijn. Ik dank god elke dag op mijn blote knieën dat jullie in mijn leven zijn.’
ALLE BOEKEN VAN JERRAD















